Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Procesverloop
Overwegingen
ofaan een in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is. Nu er staat ‘of’ en aan één van voornoemde opties is voldaan, heeft de minister ook voldaan aan het bepaalde in artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000. Van enige andere wettelijke verplichting om eiser te infomeren over mogelijk contact met naaste verwanten – naast over de mogelijkheid van consulaire bijstand – is de rechtbank niet gebleken. Daar komt bij dat eiser zich al in bewaring bevond ten tijde van het opleggen van de onderhavige maatregel en eiser voorafgaand aan deze maatregel al contact onderhield met zijn partner. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser ook verklaard over het (telefonisch) contact dat hij met haar onderhoudt. Feitelijk heeft eiser dus al contact met zijn naaste verwant(en) vanuit bewaring, zodat de rechtbank ook om die reden niet vermag in te zien op welke wijze eiser in zijn belangen zou zijn geschaad door hem niet ook te wijzen op de mogelijkheid van contact met naaste verwanten.
(a-grond) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (b-grond).De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De zware en lichte gronden
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.