Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiseres 1
[minderjarige 1], V-nummer: [v-nummer 3] en
[minderjarige 2], V-nummer: [v-nummer 4] .
Rechtbank Den Haag
Eiseressen, beiden met de Egyptische nationaliteit, verzochten om een visum voor kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvragen af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet voldoende waren aangetoond en er onvoldoende garantie was dat eiseressen tijdig zouden terugkeren naar Egypte.
Eiseressen betwistten dit besluit en stelden dat zij sociale en economische bindingen met Egypte hebben, waaronder een ouderdomsuitkering en een dienstverband. De rechtbank overwoog dat het aan de aanvragers is om het verblijfsdoel en de terugkeer aannemelijk te maken, waarbij de minister een ruime beoordelingsmarge heeft.
De rechtbank oordeelde dat eiseres 1 onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege economische redenen aan Egypte is gebonden, ondanks haar pensioen en sociale binding. Eiseres 2 had onvoldoende bewijs geleverd van een duurzaam inkomen uit arbeid. Ook de sociale bindingen boden onvoldoende garantie voor terugkeer.
Verder was het horen van eiseres 2 in de bezwaarprocedure niet verplicht omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond over de uitkomst van het bezwaar. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvragen kort verblijf is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.