ECLI:NL:RBDHA:2024:2219
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij verlengde beslistermijn asielaanvraag
Eiser diende op 15 november 2022 een herhaalde aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris moest op grond van de Vreemdelingenwet 2000 binnen zes maanden beslissen, met een mogelijke verlenging van negen maanden bij een grote instroom van vreemdelingen. Door het inwerkingtreden van het WBV 2022/22 werd de beslistermijn voor asielaanvragen die nog niet verstreken waren op 27 september 2022 en ingediend tot 1 januari 2023 met negen maanden verlengd.
Eiser stelde de staatssecretaris bij brief van 12 mei 2023 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen, maar deze ingebrekestelling werd ontvangen op 13 mei 2023, terwijl de verlengde beslistermijn pas op 15 februari 2024 zou eindigen. De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling daarom prematuur was en het beroep niet-ontvankelijk verklaard moest worden.
De rechtbank sloot het onderzoek zonder zitting omdat partijen geen zitting wensten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig is en dat een ingebrekestelling pas na het verstrijken van die termijn kan leiden tot ontvankelijkheid van het beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling terwijl de beslistermijn rechtsgeldig was verlengd.