ECLI:NL:RBDHA:2024:21636
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk
Eiser, een Syriër, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De minister had op 25 oktober 2024 dit besluit genomen nadat Frankrijk het verzoek tot overname had aanvaard.
Eiser stelde dat de minister onzorgvuldig handelde en onvoldoende motiveerde, onder meer omdat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen zijn bezwaren te uiten tijdens het aanmeldgehoor. Tevens voerde eiser aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege substantiële problemen in de Franse opvangvoorzieningen, die volgens hem leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn bezwaren kenbaar te maken en dat de minister terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De stellingen van eiser over de opvangproblemen waren onvoldoende onderbouwd en niet van dien aard dat een reëel risico op schending van fundamentele rechten aannemelijk was. Ook de medische situatie van eiser vormde geen reden om de aanvraag op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro in behandeling te nemen.
Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard, wat betekent dat het besluit van de minister in stand blijft en eiser kan worden overgedragen aan Frankrijk. De rechtbank wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard, waardoor overdracht aan Frankrijk mogelijk is.