De rechtbank Den Haag behandelde op 17 december 2024 de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde rechtspersoon [de veroordeelde] B.V. De vordering betrof een bedrag van €91.000, bestaande uit €5.000 startkapitaal en €86.000 vervolgprofijt, naar aanleiding van een eerdere veroordeling wegens witwassen.
Tijdens de zittingen en schriftelijke voorbereidingen heeft de rechtbank kennisgenomen van het ontnemingsrapport en de verweren van de vertegenwoordiger van de veroordeelde. Uit het strafvonnis van 12 oktober 2023 bleek dat de bedrijfsactiviteiten van de betrokken vennootschappen waren gefinancierd met vermogensbestanddelen afkomstig uit misdrijf, en dat de administratie onvoldoende was om onderscheid te maken tussen legale en illegale activiteiten.
De rechtbank oordeelde dat het ontnemingsrapport onvoldoende houvast biedt om het wederrechtelijk verkregen voordeel betrouwbaar te schatten. De Mercedes Benz die bij de veroordeelde was aangetroffen was reeds verbeurd verklaard en kon niet als voordeel worden ontnomen. Gezien de opgelegde geldboete en de verbeurdverklaring achtte de rechtbank verdere ontneming niet doelmatig.
Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil.