ECLI:NL:RBDHA:2024:211

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2024
Publicatiedatum
11 januari 2024
Zaaknummer
NL22.21781
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 7:11 AwbArt. 3:100 Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier wegens verandering werkgever en verblijfsdoel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel arbeid in loondienst bij een specifieke werkgever. De staatssecretaris had de aanvraag afgewezen en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser van werkgever was veranderd en daardoor geen belang meer had bij de beoordeling van het oorspronkelijke bezwaar.

De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat zij geen zitting nodig achtte en het onderzoek gesloten zonder zitting. De rechtbank beoordeelt dat de staatssecretaris het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hoewel eiser stelt dat zijn rechtspositie niet is gewijzigd, is het verblijfsdoel van zijn aanvraag wel veranderd doordat hij bij een andere werkgever is gaan werken.

De rechtbank oordeelt dat eiser een nieuwe aanvraag moet indienen voor het gewijzigde verblijfsdoel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier E.J. Iflé.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege wijziging van het verblijfsdoel door verandering van werkgever.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.21781

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘arbeid in loondienst’ bij [bedrijf] . De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.1.
De staatssecretaris heeft de aanvraag met het besluit van 16 november 2021 afgewezen. Met het besluit van 11 oktober 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser tegen die afwijzing niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser is veranderd van werkgever en hij daarom geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaarschrift.
1.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris mocht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht de staatssecretaris het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaren?
4. Eiser betoogt dat de staatssecretaris zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser stelt dat de feitelijke omstandigheden en zijn rechtspositie niet zijn gewijzigd, maar dat hij slechts is veranderd van werkgever. Dit betekent volgens eiser dat de staatssecretaris het bezwaar ontvankelijk moet verklaren en er een volledige heroverweging van het bezwaar moet plaatsvinden. [2]
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel de aanvraag van eiser nog steeds ziet op het verrichten van arbeid in loondienst, behoudt de aanvraag niet hetzelfde verblijfsdoel. [3] De aanvraag van eiser had immers als doel om arbeid te verrichten in (loon)dienst van [bedrijf] . Eiser heeft echter op 19 september 2022 meegedeeld dat hij voor een andere werkgever arbeid in loondienst is gaan verrichten dan bij zijn aanvraag het geval was. Hiermee is, anders dan eiser wenst, het verblijfsdoel van zijn aanvraag hangende de bezwaarfase veranderd. De staatssecretaris verlangt daarom terecht van eiser dat hij een nieuwe aanvraag indient voor een beoordeling van het gewijzigde verblijfsdoel [4] en mocht het bezwaar van eiser daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van E.J. Iflé, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb.
3.Vergelijk Rb. ’s-Gravenhage (zp Amsterdam) 28 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2081.
4.Dat volgt uit artikel 3:100 van Pro het Vreemdelingenbesluit 2000.