ECLI:NL:RBDHA:2024:20962
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige grensdetentie op Schiphol wegens penitentiair karakter en ongeschikte detentieomstandigheden
De rechtbank Den Haag behandelde op 12 december 2024 het beroep van eiser tegen de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel in het detentiecentrum Schiphol. De maatregel was gebaseerd op artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en betrof grensdetentie van een asielzoeker. De rechtbank onderzocht of de detentie voldeed aan de eisen van artikel 10 van Pro de Opvangrichtlijn, die stelt dat grensdetentie moet plaatsvinden in gespecialiseerde bewaringsaccommodaties.
Uit de feiten bleek dat de detentiefaciliteiten op Schiphol multi-inzetbaar zijn en niet verschillen van reguliere strafrechtelijke detentie. De lange insluitingstijden van circa 16:30 tot 08:00 uur, het beperkte regime en de toegepaste dwang kenmerken de detentie als penitentiair. Dit strookt niet met de vereisten van gespecialiseerde inrichtingen volgens de Opvangrichtlijn en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De rechtbank concludeerde dat de detentieomstandigheden onrechtmatig zijn en dat voortzetting van de maatregel onevenredig bezwarend is, mede gezien de kwetsbare positie van asielzoekers. De rechtbank beval de onmiddellijke opheffing van de maatregel en kende een schadevergoeding toe van € 3.200 voor 32 dagen onrechtmatige detentie. Tevens werden proceskosten aan eiser toegekend.
De uitspraak benadrukt het belang van passende detentieomstandigheden conform Europese richtlijnen en het EVRM, en erkent de logistieke uitdagingen maar stelt dat deze slechts tijdelijk mogen zijn. De beslissing bevestigt dat detentie in niet-specialistische faciliteiten met penitentiaire kenmerken onrechtmatig is en niet mag voortduren.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de vrijheidsontnemende maatregel op en kent een schadevergoeding van € 3.200 toe.