Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 16 augustus 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister verklaarde deze aanvraag op 3 september 2024 niet-ontvankelijk omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Oostenrijk sinds 23 augustus 2022.
De rechtbank behandelde het beroep op 15 oktober 2024 en oordeelde dat de minister terecht de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser bracht geen concrete aanwijzingen aan waaruit blijkt dat zijn internationale beschermingsstatus in Oostenrijk is ingetrokken of beëindigd.
Hoewel eiser stelde dat de minister na 16 augustus 2024 de Eurodac-informatie had moeten controleren, concludeert de rechtbank dat het korte tijdsverloop tussen Eurodac-bevraging en het besluit voldoende zekerheid biedt over de actualiteit van de gegevens. Ook het verlopen van een verblijfsdocument doet niet af aan de subsidiaire bescherming.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending van deze uitspraak.