ECLI:NL:RBDHA:2024:209

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2024
Publicatiedatum
11 januari 2024
Zaaknummer
NL22.17921
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Tijdelijke wet opschorting dwangsommen INDArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:72 lid 6 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering vaststelling bestuurlijke dwangsom bij ingewilligde asielaanvraag

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 september 2022. In dat besluit is de asielaanvraag van eiser ingewilligd, maar heeft de staatssecretaris geweigerd een bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Het beroep richt zich uitsluitend tegen deze weigering.

De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat een zitting niet noodzakelijk is en na geen verzoek daartoe het onderzoek gesloten. De beoordeling richt zich op de vraag of de staatssecretaris verplicht was een bestuurlijke dwangsom vast te stellen. De rechtbank verwijst naar artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarin is bepaald dat bepaalde bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen, waardoor een bestuurlijke dwangsom niet kan worden verbeurd.

De rechtbank bevestigt eerdere jurisprudentie van de meervoudige kamer en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is geoordeeld dat het afschaffen van de bestuurlijke dwangsom in asielzaken niet in strijd is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming en het gelijkwaardigheidsbeginsel. Daarom is de weigering van de staatssecretaris om een dwangsom vast te stellen terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de staatssecretaris terecht geen bestuurlijke dwangsom heeft vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.17921

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2024 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 8 september 2022, waarin de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser heeft ingewilligd. In dit besluit heeft de staatssecretaris geweigerd een door hem te verbeuren dwangsom vast te stellen. Het beroep richt zich alleen tegen deze weigering.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris een bestuurlijke dwangsom had moeten vaststellen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris terecht geen bestuurlijke dwangsom heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de staatssecretaris terecht geen dwangsom vastgesteld?
4. Eiser betoogt dat de staatssecretaris hem ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom heeft toegekend.
4.1.
Sinds 11 juli 2021 is in artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaald dat afdeling 8.2.4a (waarin de artikelen 8:55c en 8:55d staan) en artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen voor bepaalde tijd. Dit artikel sluit dus uit dat een bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd.
4.2.
In de uitspraak van 24 maart 2022 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet voor wat betreft het niet kunnen verbeuren van een bestuurlijke dwangsom in stand gelaten. [2] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is in haar uitspraken van 30 november 2022 tot het oordeel gekomen dat het afschaffen van de bestuurlijke dwangsom in asielzaken niet in strijd is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming en het gelijkwaardigheidsbeginsel. [3] Dat betekent dat de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

5. De staatssecretaris heeft terecht geen dwangsom vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van E.J. Iflé, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
2.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 24 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2641.
3.ABRvS 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ABRvS 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3353.