ECLI:NL:RBDHA:2024:20325
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van privéleven en medische gronden met schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Eiser, van Armeense nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier op grond van privéleven (artikel 8 EVRM Pro) en medische gronden. De minister wees dit verzoek af, onder meer omdat eiser niet voldeed aan het mvv-vereiste en geen bijzondere binding met Nederland had. Na meerdere bezwaar- en beroepsprocedures, waarbij onder meer het Bureau Medische Advisering (BMA) betrokken was, handhaafde de minister het besluit. De rechtbank oordeelt dat de minister de BMA-adviezen terecht heeft betrokken en dat de belangenafweging zorgvuldig en deugdelijk is gemotiveerd.
Eiser voerde aan dat de medicatie in Armenië niet beschikbaar zou zijn en dat zijn medische situatie onvoldoende werd meegewogen. De rechtbank stelt vast dat de minister en BMA-arts de medicatie en medische situatie uitgebreid hebben onderzocht en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat noodzakelijke behandeling niet toegankelijk is. Ook het beroep op het recht op privéleven faalt, mede omdat eiser geen verblijfsvergunning had en niet heeft meegewerkt aan vertrek.
Wel oordeelt de rechtbank dat de redelijke termijn voor de afhandeling van de zaak met 30 maanden is overschreden en veroordeelt de minister tot een immateriële schadevergoeding van €2.500,- en betaling van proceskosten van €1.750,- aan eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de minister wordt veroordeeld tot vergoeding wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.