De rechtbank Den Haag heeft op 5 november 2024 besloten de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een voorziening voor pleegzorg te verlengen tot 14 mei 2025, gelijklopend met de duur van de ondertoezichtstelling. Deze beslissing volgt op een eerdere beschikking waarbij de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing reeds waren verlengd, maar het verzoek tot verdere uithuisplaatsing was aangehouden wegens lopend onderzoek.
De gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat de hulpverleningstrajecten, waaronder een beoordelingsboog en opvoedondersteuning voor de vader, niet van de grond zijn gekomen door gebrekkige communicatie en het uitblijven van contact met de vader. Hierdoor is geen nieuw perspectiefonderzoek uitgevoerd, wat noodzakelijk wordt geacht voor een herbeoordeling van de uithuisplaatsing.
De vader heeft verweer gevoerd tegen de verlenging en verzocht subsidiar om plaatsing bij zijn ouders in plaats van bij de pleegouders, mede vanwege zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige en het wenselijk achten van co-ouderschap. De rechtbank kan echter geen beslissing nemen over de plaats van uithuisplaatsing, maar benadrukt het belang van een zorgvuldig perspectiefonderzoek waarbij alle vormen van co-ouderschap worden onderzocht.
Tijdens de zitting zijn nieuwe zorgen geuit over de (seksuele) ontwikkeling van de minderjarige, die sinds september 2024 niet meer naar school gaat en betrokken is geweest bij een incident thuis. De rechtbank vraagt de gecertificeerde instelling extra alert te zijn op deze ontwikkelingen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld. De rechtbank benadrukt het belang van een goede samenwerking tussen de betrokken partijen om het welzijn van de minderjarige te waarborgen.