ECLI:NL:RBDHA:2024:19931

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
NL24.44292
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6, derde lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 94, zesde lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 28 WbtvArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Op 8 november 2024 is aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 12 november 2024 opgeheven nadat eiseres haar asielaanvraag introk.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was en of schadevergoeding toekendbaar was. Eiseres stelde dat bij het uitreiken van het besluit gebruik was gemaakt van een niet-beëdigde tolk Frans, wat in strijd zou zijn met de Wet beëdigde tolken en vertalers en het EVRM.

De rechtbank oordeelde dat het gebruik van een niet-beëdigde tolk gerechtvaardigd was vanwege de vereiste spoed en het ontbreken van een beschikbare beëdigde tolk in het register, zoals voorgeschreven in artikel 28 van Pro de Wbtv. De motivering was schriftelijk vastgelegd en voldeed aan de wettelijke eisen.

Daarom was er geen sprake van onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44292

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Scholtens).

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2024 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 12 november 2024 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiseres haar asielaanvraag heeft ingetrokken.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiseres heeft op 18 november 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 19 november 2024 op gereageerd. De rechtbank heeft op 22 november 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Omdat de bewaring op 12 november 2024 is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank kan, als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding toekennen. [1]
4. Eiseres voert aan dat verweerder bij uitreiking van het besluit gebruik heeft gemaakt van een niet beëdigde tolk Frans. Dit is in strijd met artikel 28, eerste lid, Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) en artikel 5, tweede lid, EVRM. [2]
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Op grond van artikel 28 van Pro de Wbtv maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid kan, in afwijking van het eerste lid, gebruik worden gemaakt van een tolk die niet beëdigd is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is óf indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.
6.1.
Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 29 april 2019 [3] volgt dat artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv wat betreft de motivering geen andere eis stelt dan dat de minister de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn.
6.2.
Uit het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel blijkt dat er geen gebruik is gemaakt van beëdigde tolk Frans, omdat er ten tijde van het gehoor geen beëdigd tolk beschikbaar was. De rechtbank stelt dan ook vast dat de redenen voor het niet gebruiken van een beëdigde tolk Frans conform de vereisten van artikel 28 van Pro de Wbtv tijdig op schrift zijn gezet. De rechtbank is verder van oordeel dat voldoende is gemotiveerd dat sprake is van de situatie waarbij wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is. De rechtbank weegt hierbij mee dat de aard van de procedure zich niet leent voor een uitstel van het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van grensdetentie om te wachten tot een beëdigd tolk wel beschikbaar zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van strijd met artikel 28 van Pro de Wbtv of artikel 5 van Pro het EVRM.
7. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 106 Vw Pro.
2.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2019:1395.