Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[verzoeker 1] ,
[verzoeker 2] ,
[verzoeker 3] ,
[verzoeker 4] B.V.,
[verzoeker 5] B.V.,
Stichting [verzoeker 6] B,
[verzoeker 7] B.V.,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De wrakingskamer van de Rechtbank Den Haag behandelde op 28 november 2024 het verzoek tot wraking van mr. M.A. Dirks, rechter in de rechtbank, ingediend door meerdere verzoekers vertegenwoordigd door mr. D.A.N. Bartels MRE. Het verzoek betrof de behandeling van diverse WOZ-zaken die gepland stonden op 19 november 2024.
Verzoekers stelden dat de rechter vooringenomen zou zijn omdat hij niet had ingestemd met het verplaatsen van de zittingen, terwijl verzoekers op die datum reeds verplichtingen hadden bij het Gerechtshof Amsterdam. Tevens werd geklaagd over onvoldoende reactie op eerdere brieven. De wrakingskamer oordeelde dat het niet verplaatsen van een zitting een procedurele beslissing is die geen grond voor wraking kan vormen, aangezien wraking geen verkapt rechtsmiddel is.
De kamer stelde vast dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid konden rechtvaardigen. Daarnaast concludeerde de kamer dat mr. Bartels het wrakingsmiddel misbruikt door herhaaldelijk verzoeken in te dienen met het doel de procedure te frustreren. Daarom werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van mr. Bartels in deze zaken niet meer in behandeling worden genomen.
De wrakingskamer besloot het wrakingsverzoek af te wijzen, het proces in de hoofdzaken voort te zetten zoals het was, en de beslissing toe te zenden aan alle betrokken partijen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen en een wrakingsverbod voor toekomstige verzoeken van dezelfde gemachtigde wordt ingesteld.