Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:19831

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2024
Publicatiedatum
28 november 2024
Zaaknummer
NL24.37816
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:3 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit leeftijdswijziging vreemdeling wegens onterecht niet-ontvankelijkheid bezwaar

Eiser heeft asiel aangevraagd en daarbij een geboortedatum opgegeven. De minister heeft op basis van informatie van buitenlandse autoriteiten de geboortedatum van eiser gewijzigd en deze wijziging kenbaar gemaakt aan betrokken instanties. Eiser maakte bezwaar tegen deze kennisgeving, maar de minister verklaarde dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat het een handeling zou betreffen waartegen geen bezwaar mogelijk is.

De rechtbank oordeelt dat de kennisgeving van de leeftijdswijziging een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat het een publiekrechtelijke rechtshandeling betreft die de juridische status van eiser wijzigt en gevolgen heeft op gebieden als onderwijs, begeleiding, nareis van gezinsleden en zorgverzekering. De minister heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast stelde eiser dat het besluit onbevoegd was genomen omdat het uit naam van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid was genomen, terwijl sinds 2 juli 2024 de minister van Asiel en Migratie bevoegd is. Dit gebrek wordt echter gepasseerd omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan de minister tot hernieuwde besluitvorming binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37816

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W. Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.W Zagers).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van 30 augustus 2024.
2. Op 16 april 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving van 20 maart 2024 dat eisers geboortedatum is gewijzigd. Met het bestreden besluit van 30 augustus 2024 heeft de minister dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft op 13 november 2023 asiel aangevraagd. Daarbij heeft hij als geboortedatum [geboortedatum] opgegeven.
3.1.
De minister heeft naar aanleiding van de resultaten van de leeftijdsschouw informatie opgevraagd bij de Zwitserse, Oostenrijkse en Duitse autoriteiten. Uit deze informatie is gebleken dat eiser in deze landen is geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum].
3.2
Op 20 maart 2024 heeft de minister een “kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens” verzonden aan de AVIM en Nidos, waarin de minister vermeldt dat de geboortedatum van eiser in Nederland is aangepast naar [geboortedatum].
3.3
Op 16 april 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens van 20 maart 2024.
4. Bij het bestreden besluit van 30 augustus 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de minister is de kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens van 20 maart 2024 een handeling (aanpassen leeftijd) waartegen bezwaar niet mogelijk is. Het discussiepunt omtrent de geboortedatum wordt inhoudelijk nog wel meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de kennelijke niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen van dit oordeel zijn.
Is het bestreden besluit bevoegd genomen?
6. Eiser stelt eerst dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Het besluit is namelijk genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, terwijl de bevoegdheid om te beslissen sinds 2 juli 2024 bij de minister ligt.
6.1.
De rechtbank overweegt dat met ingang van 2 juli 2024 de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht is gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit van 30 augustus 2024 ten onrechte is genomen uit naam van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De beroepsgrond slaagt in zoverre. De rechtbank is echter van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu gesteld noch gebleken is dat eiser door de onjuiste ondertekening in zijn belangen is geschaad.
Heeft de minister het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard?
7. Eiser stelt, onder verwijzing naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, Groningen en Middelburg dat leeftijdswijziging een rechtshandeling is gericht op rechtsgevolg, omdat de juridische status van de vreemdeling wordt gewijzigd en die wijziging gevolgen met zich meebrengt op het gebied van onderwijs, begeleiding door Nidos, de mogelijkheden tot nareis van gezinsleden en financiële gevolgen ten aanzien van de zorgverzekering. De minister heeft daarom ten onrechte het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
7.1
De rechtbank stelt vast dat zij de in deze zaak voorliggende rechtsvraag eerder heeft beoordeeld in haar uitspraak van 26 januari 2024 (ECLI:NLRBDHA:2024:874). De rechtbank heeft toen geoordeeld dat de kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens een besluit is in de zin van de Awb, waartegen bezwaar mogelijk is. De rechtbank herhaalt de overwegingen uit die uitspraak en maakt deze tot de hare.
“14. […]. Naar het oordeel van de rechtbank is de kennisgeving van de leeftijdswijziging aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
14.1.
Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een rechtshandeling een handeling die gericht is op rechtsgevolg en heeft een beslissing rechtsgevolg indien zij erop gericht is een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.(…) De rechtbank is van oordeel dat de kennisgeving gericht is op rechtsgevolg. Als gevolg van de kennisgeving wijzigt de juridische status van eiser van minderjarige naar meerderjarige, wat gevolgen met zich brengt op het gebied van het recht op onderwijs, begeleiding door Nidos en de mogelijkheden van nareis van gezinsleden. Daarnaast treden er financiële gevolgen in, zoals het moeten afsluiten van een zorgverzekering. (…)
7.2.
Daaraan voegt de rechtbank het volgende toe. Anders dan de minister heeft aangevoerd, volgt uit artikel 6:3 van Pro de Awb niet dat de kennisgeving toch niet vatbaar is voor bezwaar. Hoewel de wijziging van de leeftijdsregistratie (mede) kan worden aangemerkt als een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van het besluit op de asielaanvraag, treft deze wijziging van de leeftijdsregistratie eiser ook los van het te nemen asielbesluit, gelet op de hierboven genoemde gevolgen voor onderwijs, begeleiding, de mogelijkheden van nareis van gezinsleden en de financiële gevolgen. Dat (ook) bezwaar of beroep mogelijk is tegen sommige andere latere beslissingen, waarin wordt uitgegaan van de gewijzigde leeftijd, doet daar niet aan af.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister heeft het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat de minister een nieuwe beoordeling moet maken van het bezwaar van eiser.
9. De rechtbank draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken de tijd, omdat zij eiser mogelijk een herstel verzuim wil bieden voor nadere bezwaargronden.
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en ter zitting is verschenen. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.