ECLI:NL:RBDHA:2024:19743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
28 november 2024
Zaaknummer
NL24.37624
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) Nr. 604/2013artikel 17 Dublinverordeningartikel 4 EU-Handvest
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening Polen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Polen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is, waardoor aangenomen mag worden dat Polen zijn internationale verplichtingen jegens eiser zal nakomen. Eiser heeft onvoldoende objectieve informatie aangeleverd om dit vertrouwen te ondermijnen.

Hoewel eiser persoonlijke ervaringen van discriminatie en slechte verzorging in Polen heeft aangevoerd, heeft hij dit niet tijdig gemeld en is niet gebleken dat hij dit niet had kunnen doen. De rechtbank oordeelt dat deze ervaringen niet leiden tot het doorbreken van het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank concludeert dat Polen met de aanvaarding van het terugnameverzoek heeft toegezegd eiser conform internationale verplichtingen te behandelen en dat er geen risico bestaat op schending van artikel 4 van Pro het EU-Handvest na terugkeer.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37624
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [V-nummer] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Het is niet in geschil dat Polen op grond van de Dublinverordening [1] verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming.
2. Verweerder heeft terecht overwogen dat in het geval van Polen op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden aangenomen dat Polen zijn Unierechtelijke en internationale verplichtingen jegens eiser zal naleven. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling [2] hierover van 4 september 2024. [3] Eiser heeft niet met objectieve informatie aannemelijk gemaakt dat in het geval van Polen aanleiding bestaat om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan.
3. Verweerder heeft in de verklaringen van eiser over zijn eigen ervaringen in Polen terecht evenmin hiervoor aanleiding gezien. Eiser heeft verklaard dat hij discriminatie heeft ervaren en slechte materiële en medische verzorging heeft gehad, maar verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser hier niet over heeft geklaagd terwijl niet is gebleken dat die mogelijkheid niet bestond.
4. Bovendien heeft verweerder terecht overwogen dat Polen met de aanvaarding van het terugnameverzoek heeft toegezegd om eiser overeenkomstig de internationale verplichtingen te behandelen. Eiser heeft op zijn beurt niet aannemelijk gemaakt dat hij na terugkeer in het kader van de Dublinprocedure in Polen een risico loopt om te worden blootgesteld aan een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest.
5. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om de persoonlijke ervaringen te betrekken in de vraag naar toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat deze al zijn beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2024:3455.