ECLI:NL:RBDHA:2024:1958
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing zelfstandig verzoek tot terugplaatsing en machtiging uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die ernstige psychische problemen vertoont en momenteel verblijft in een gezinsgerichte voorziening. De kinderrechter had eerder een machtiging verleend voor een tijdelijke uithuisplaatsing en beoordeelt nu het verzoek tot verlenging tot het einde van de ondertoezichtstelling.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek met ernstige zorgen over depressieve gevoelens, suïcidale uitingen en onveilige thuissituatie, waarbij hulpverlening in de thuissituatie onvoldoende effect heeft gehad. De moeder voert verweer en verzoekt zelfstandig om onmiddellijke terugplaatsing en een deskundigenonderzoek, stellende dat minder ingrijpende hulp thuis mogelijk is en dat een uithuisplaatsing schadelijk kan zijn.
De kinderrechter oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, gezien de ernst van de problematiek en het ontbreken van passende alternatieven binnen de thuissituatie. Ook een verblijf bij de vader wordt als onvoldoende passend beoordeeld. Het verzoek tot deskundigenonderzoek en onmiddellijke terugplaatsing wordt afgewezen vanwege het belang van rust en stabiliteit voor de minderjarige.
De beschikking verleent de machtiging tot uithuisplaatsing tot 18 mei 2024 en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad. Het hoger beroep is mogelijk via de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot einde ondertoezichtstelling; zelfstandig verzoek tot terugplaatsing afgewezen.