ECLI:NL:RBDHA:2024:19421
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot instelling voorlopige schuldeiserscommissie in faillissementen
In de faillissementen van twee vennootschappen is door mevrouw [naam 1] namens meerdere partijen verzocht tot het instellen van een voorlopige schuldeiserscommissie op grond van artikel 74 Faillissementswet Pro. Dit verzoek werd mede gemotiveerd door een gebrek aan vertrouwen in curator en rechter-commissaris en het belang van transparantie en controle.
De curator en rechter-commissaris adviseerden afwijzing, stellende dat de faillissementen relatief overzichtelijk zijn, met een lege boedel en zonder complicerende factoren die een commissie rechtvaardigen. Ook wezen zij op mogelijke extra kosten en het ontbreken van concrete adviesbehoeften.
De rechtbank oordeelde dat mevrouw [naam 1] niet-ontvankelijk is namens Stichting [bedrijf 2] wegens gebrek aan vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het verzoek namens de overige partijen werd afgewezen omdat de aard en omvang van de faillissementen geen aanleiding geven voor een commissie, er geen duidelijke belangen zijn die beschermd moeten worden, en het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Tevens is geen meerwaarde van een commissie aangetoond voor de afwikkeling van de faillissementen.
Uitkomst: Het verzoek tot instelling van een voorlopige schuldeiserscommissie wordt afgewezen en mevrouw [naam 1] is niet-ontvankelijk namens Stichting [bedrijf 2].