ECLI:NL:RBDHA:2024:19075
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, geboren in 1978 en onzeker over zijn nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in. De aanvraag werd niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening. Eiser betoogde dat hij staatloos is en dat Polen geen bescherming biedt, en dat het besluit onbevoegd was genomen.
De rechtbank stelde vast dat het besluit formeel door een onbevoegde ondertekenaar was getekend, maar dat dit gebrek niet leidde tot schending van belangen. Ook oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht Polen als verantwoordelijke lidstaat aanmerkte, omdat niet vaststaat dat eiser staatloos is. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd toegepast, waarbij werd aangenomen dat Polen zijn verplichtingen nakomt.
Eiser kon niet aannemelijk maken dat hij bij overdracht aan Polen risico loopt op een schending van zijn rechten. Verder was het ontbreken van bepaalde stukken over staatloosheid in het dossier niet nadelig voor eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.