De rechtbank Den Haag behandelt een bestuursrechtelijk beroep van eiser tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Eerder was door de rechtbank een termijn van acht weken gesteld waarbinnen verweerder moest beslissen, maar deze termijn is verstreken zonder besluit.
Eiser stelde beroep in nadat de rechterlijke dwangsom nog niet volledig was verbeurd, wat volgens de rechtbank het procesbelang bevestigt. Verweerder verzocht om aansluiting bij een langere beslistermijn van zestien weken, maar de rechtbank constateerde dat de wettelijke maximale termijn van 21 maanden al was overschreden.
De rechtbank overweegt dat een zorgvuldige en snelle besluitvorming moet worden gewaarborgd en legt daarom een termijn van zes weken op waarbinnen verweerder alsnog moet beslissen. Tevens wordt verweerder verplicht een dwangsom van 200 euro per dag te betalen bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van 15.000 euro. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
De uitspraak bevestigt de mogelijkheid van de bestuursrechter om dwangsommen op te leggen ondanks de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, op grond van een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hiermee wordt verweerder aangespoord tot spoedige besluitvorming.