ECLI:NL:RBDHA:2024:18220
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvragen ongegrond verklaard
De rechtbank Den Haag heeft op 4 november 2024 uitspraak gedaan in het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van opposanten tegen het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen. De rechtbank had eerder op 16 augustus 2024 het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn volgens het Besluit WBV 2023/3 nog niet was verstreken, waardoor het beroepschrift te vroeg was ingediend.
Opposanten stelden in verzet dat er sprake is van divergentie in de rechtspraak over de rechtsgeldigheid van de verlenging van de beslistermijn in asielzaken, en dat daarom de zaak niet buiten zitting had mogen worden afgedaan. Zij verwezen naar eerdere uitspraken van deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak die prejudiciële vragen hadden gesteld.
De rechtbank oordeelde echter dat deze divergentie geen reden is om het kennelijke oordeel te betwijfelen. Er zijn geen nieuwe argumenten aangevoerd die bij een zitting tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden. De prejudiciële vragen zijn nog niet beantwoord door het Hof van Justitie van de Europese Unie en zouden het oordeel niet wijzigen.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en handhaafde zij de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.