ECLI:NL:RBDHA:2024:1795
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheidsverdeling Dublinverordening
Eiser, van Tadzjiekse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, maar de staatssecretaris nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. De rechtbank had eerder een uitspraak gedaan die kennelijk ongegrond werd verklaard, waarna verzet werd ingesteld en gegrond verklaard, waardoor het onderzoek werd hervat.
Tijdens de zitting op 23 januari 2024 was eiser afwezig. De rechtbank beoordeelde de beroepsgronden en concludeerde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt of dat er bijzondere omstandigheden zijn die overdracht naar Duitsland onevenredig hard maken.
Eiser voerde aan dat zijn medische behandeling en de impact van scheiding op zijn minderjarige kinderen reden waren om niet overgedragen te worden. De rechtbank oordeelde dat de medische behandeling naar verwachting reeds was afgerond en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten aanzien van de Duitse voorzieningen. Ook was de stelling over de kinderen te algemeen en onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het besluit van de staatssecretaris en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.