ECLI:NL:RBDHA:2024:17812
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, verzocht om een visum kort verblijf om zijn zus in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser het doel van het verblijf en zijn terugkeer naar Marokko onvoldoende aannemelijk had gemaakt, met name vanwege onvoldoende sociale en economische binding.
Eiser stelde in bezwaar en beroep dat hij sociale binding heeft met Marokko door zijn minderjarige kinderen en moeder die daar verblijven, evenals economische binding door zijn werk als taxichauffeur en eigendom van een woning. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde van zorg- en opvoedtaken voor zijn kinderen, geen voogdijuitspraak overlegd, en onvoldoende bewijs van een substantieel inkomen of daadwerkelijke werkzaamheden als taxichauffeur.
De rechtbank bevestigde dat de Minister een ruime beoordelingsmarge heeft en dat het aan eiser is om zijn terugkeer aannemelijk te maken. Omdat de sociale en economische binding onvoldoende was aangetoond, bleef het besluit tot afwijzing van het visum in stand. De rechtbank vond dat de Minister terecht van het horen in bezwaar kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er was geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.