ECLI:NL:RBDHA:2024:17636
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsaanvraag op grond van afgeleid verblijfsrecht wegens onvoldoende afhankelijkheid
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende jongvolwassene, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van artikel 20 van Pro het VWEU vanwege een bijzondere afhankelijkheidsrelatie met zijn zus, die in Nederland verblijft. De minister wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat sprake was van een zodanige afhankelijkheid dat zij niet van elkaar gescheiden konden worden, zoals vereist volgens het K.A.-arrest van het Hof van Justitie.
Eiser voerde aan dat hij vanwege ernstige psychische gezondheidsproblemen afhankelijk is van zijn zus en dat het weigeren van verblijf ertoe zou leiden dat zijn zus met hem naar Marokko zou moeten terugkeren. Hij kon echter geen aanvullende medische documenten overleggen vanwege het ontbreken van een BSN-nummer en zorgverzekering. De minister stelde dat er alternatieve zorgmogelijkheden zijn en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat de afhankelijkheidsrelatie niet aannemelijk was gemaakt. Ook een beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat geen sprake was van een meer dan normale afhankelijkheid en er geen sterke binding met Nederland was. De hoorplicht werd niet geschonden omdat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om bewijs aan te leveren.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.A.M. Elzakkers op 16 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verblijfsaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.