ECLI:NL:RBDHA:2024:17564
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 7 augustus 2024 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank toetste deze maatregel reeds op 13 september 2024 en verklaarde deze toen rechtmatig. Eiser stelde op 10 oktober 2024 beroep in tegen het voortduren van de maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank besloot de zaak zonder zitting af te doen.
Eiser voerde aan dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt omdat er geen laissez-passer is afgegeven en onduidelijkheid bestaat over zijn identiteit en nationaliteit. Ook stelde hij dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting en onvoldoende motiveerde waarom een lichter middel niet volstaat. De rechtbank oordeelde dat het tijdsverloop sinds de aanvraag van het laissez-passer niet betekent dat dit niet zal worden verstrekt en dat de minister voldoende inspanningen heeft verricht, waaronder rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank stelde vast dat het voortduren van de maatregel niet onevenredig bezwarend is en dat er geen aanleiding is om het beroep gegrond te verklaren. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak is gedaan door rechter G.W.B. Heijmans en griffier D.M. Abrahams en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.