ECLI:NL:RBDHA:2024:17222
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring wegens zicht op uitzetting
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, is sinds juli 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting en beoordeelt of vanaf 28 augustus 2024 de maatregel rechtmatig is.
Eiser betoogt dat er geen reëel zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat er nog geen laissez-passer is afgegeven en hij niet actief meewerkt aan zijn uitzetting. Daarnaast stelt hij dat verweerder onvoldoende voortvarendheid heeft betracht en onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn verblijfsrecht in Spanje. De rechtbank oordeelt dat vreemdelingenbewaring als ultimum remedium geldt, maar dat in deze zaak geen aanwijzingen zijn dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Verweerder heeft meerdere stappen ondernomen om de uitzetting te bespoedigen en eiser heeft onvoldoende medewerking verleend.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en dat er geen reden is om een lichter middel toe te passen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.