Uitspraak
[bedrijf] , te [vestigingsplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de voorschriften die volgens eiseres niet (voldoende) zijn nageleefd, mede strekken tot bescherming van haar belangen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraken van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4067) en van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706), heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb beoogd een zogenoemde strikte relativiteitsregel in het bestuursprocesrecht in te voeren. Op grond daarvan kan een belanghebbende een besluit slechts met succes in rechte aanvechten als het concrete voorschrift dat volgens hem is geschonden, mede strekt tot bescherming van zijn belangen. De bestuursrechter moet in deze benadering de vraag welke belangen worden beschermd, niet op het niveau van de regeling als geheel, maar per afzonderlijk voorschrift beantwoorden. De wetgever heeft dus niet beoogd een ruime relativiteitsregel in te voeren, waarbij de bestuursrechter de vraag welke belangen worden beschermd moet beantwoorden aan de hand van het globale doel van de regeling als geheel (Kamerstukken II 2009/10, 32450, 3, blz. 52-53). Daarnaast is er in de genoemde uitspraken op gewezen dat in artikel 8:69a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter slechts van vernietiging kan en moet afzien, indien de geschonden rechtsnorm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich erop beroept.