ECLI:NL:RBDHA:2024:16722
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van grensdetentie bij asielaanvraag ondanks overschrijding termijn behandeling beroep
Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, werd op 10 september 2024 bij de grens aangehouden en onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De behandeling van zijn asielberoep stond gepland op 19 november 2024, ruim na de vier weken termijn die normaal geldt voor een uitspraak.
De rechtbank overweegt dat grensdetentie is toegestaan indien voldaan wordt aan de voorwaarden van de Opvangrichtlijn, waaronder dat de detentie zo kort mogelijk dient te zijn. Hoewel de behandeling van het beroep later plaatsvindt dan de termijn in de richtlijn, is dit veroorzaakt door een gerechtelijke procedure en niet door administratieve vertraging. De detentie duurde op het moment van de zitting 27 dagen, wat niet zodanig lang is dat het belang van eiser zwaarder weegt dan het grensbewakingsbelang.
Eiser voerde aan dat lichtere maatregelen passend waren gezien zijn medewerking, geloofwaardigheid en mentale klachten. De rechtbank oordeelt echter dat deze factoren niet zwaarder wegen dan het grensbewakingsbelang en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de detentie onevenredig is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.