Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Somalische nationaliteit dragende persoon, diende een asielaanvraag in Nederland in, welke door verweerder niet in behandeling werd genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser voerde aan dat hij in Duitsland niet daadwerkelijk asiel had aangevraagd en dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn individuele omstandigheden, waaronder vermeende discriminatie en het ontbreken van adequate bescherming in Duitsland. Tevens stelde hij dat verweerder te terughoudend was in het toepassen van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Duitsland niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet of dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die overdracht onevenredig hard maken. De rechtbank vond dat verweerder voldoende zorgvuldig had gehandeld en dat het beroep ongegrond is.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager en griffier J. de Winter op 8 februari 2024 te Middelburg.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.