ECLI:NL:RBDHA:2024:16380
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf bij meerderjarige zoon op grond van artikel 8 EVRM
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar meerderjarige zoon in Nederland te verblijven. De minister had de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet voldeed aan de vereisten voor vergunningverlening op grond van artikel 8 EVRM Pro, ondanks dat familieleven tussen eiseres en haar zoon werd aangenomen op basis van het jongvolwassenenbeleid.
De rechtbank heeft tijdens de zitting beoordeeld of de belangenafweging die de minister maakte, waarbij het economische belang van de Nederlandse staat zwaarder woog dan het belang van eiseres en haar zoon om het familieleven in Nederland voort te zetten, terecht was. Eiseres stelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de kansen van haar zoon op werk en de objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Somalië of Kenia voort te zetten.
De rechtbank oordeelde dat het verkrijgen van werk door de zoon een onzekere toekomstige gebeurtenis is en dat de minister dit terecht in de belangenafweging heeft betrokken. Ook werd erkend dat het gezinsleven op afstand niet hetzelfde is als fysiek contact, maar dat dit contact al zes jaar plaatsvindt. De minister had de belangenafweging voldoende gemotiveerd en het beroep werd ongegrond verklaard.
Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter V.A.G. van Dijk en griffier M.J.C. ten Hoopen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard.