ECLI:NL:RBDHA:2024:16326

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
8 oktober 2024
Zaaknummer
24.32191
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag wegens prematuur ingediende ingebrekestelling

Eiser diende op 10 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in. De minister verlengde de beslistermijn op grond van de Vreemdelingenwet met negen maanden vanwege een groot aantal aanvragen. Hierdoor liep de beslistermijn tot 10 juli 2024.

Eiser stelde de minister op 10 juli 2024 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en stelde op 15 augustus 2024 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling prematuur was omdat de verlengde beslistermijn nog niet was verstreken.

Op grond van artikel 6:12 Awb Pro is een beroep tegen niet tijdig beslissen pas ontvankelijk indien de ingebrekestelling niet te vroeg is gedaan en twee weken zijn verstreken. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32191

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. D. Aygur),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.

Procesverloop

Eiser heeft op 10 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Bij brief van 10 juli 2024 heeft eiser de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Op 15 augustus 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De minister heeft geen verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald, dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) moet de minister
binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn, als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden.
5. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 10 april 2023. De wettelijke beslistermijn van
zes maanden zou in het geval van eiser op 10 oktober 2023 eindigen. De minister heeft
echter, met inwerkingtreding van het WBV 2023/3, de beslistermijn van asielaanvragen,
ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024, met negen maanden verlengd. Deze
rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 11 april 2024
(ECLI:NL:RBDHA:2024:5087) geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft
gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2023/3 sprake was van
een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De
rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. De verlenging
van de beslistermijn is daarom rechtsgeldig en eindigde op 10 juli 2024. Dat betekent dat de
ingebrekestelling van 10 juli 2024 prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet
aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld
in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
6. Het beroep is, gelet op het voorgaande, kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
N. Ouahim, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie
op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.