ECLI:NL:RBDHA:2024:1617
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering opheffing inreisverbod wegens verblijfsrecht artikel 20 VWEU
Eiser verzocht om opheffing van een inreisverbod dat hem bij besluit van 13 augustus 2014 voor tien jaar was opgelegd. Dit inreisverbod was eerder door diverse bestuursrechtelijke instanties bevestigd en onherroepelijk geworden. Eiser stelde dat hem van rechtswege verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat hij verzorgende ouder is van drie Nederlandse kinderen, en dat het inreisverbod daarom niet kan standhouden.
De rechtbank oordeelde dat het verblijfsrecht van eiser op grond van artikel 20 VWEU Pro reeds onherroepelijk was afgewezen in een eerdere uitspraak van 6 december 2023, waartegen geen hoger beroep was ingesteld. Daarnaast stelde eiser dat de staatssecretaris niet had beoordeeld of hij een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormde, maar ook deze grond faalde omdat eerdere aanvragen tot opheffing van het inreisverbod waren afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe of veranderde omstandigheden.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter G.H.W. Bodt en griffier R. Kloppers, en kan worden bestreden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.