ECLI:NL:RBDHA:2024:16074
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De aanvraag werd ingediend op 7 oktober 2023, terwijl de minister uiterlijk op 5 april 2024 had moeten beslissen. Omdat geen besluit werd genomen, stelde eiser de minister op 5 juni 2024 rechtsgeldig in gebreke en diende op 2 juli 2024 het beroep in.
De minister voerde aan dat de aanvraag volgens het FIFO-principe pas in april 2025 in behandeling wordt genomen en verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep of een ruime beslistermijn. De rechtbank wees dit verzoek af, omdat de keuze voor een interne werkwijze geen reden is voor aanhouding en er geen sprake is van overmacht.
De rechtbank oordeelt dat het hier een bijzonder geval betreft en legt op grond van de Awb een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met de mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500 opgelegd. De minister wordt veroordeeld tot betaling van reeds verbeurde bestuurlijke dwangsommen van €1.442, proceskosten van €437,50 en vergoeding van het griffierecht van €187.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom en veroordeling in proceskosten.