ECLI:NL:RBDHA:2024:15727
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen buiten behandelingstelling aanvraag uitstel vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, heeft een aanvraag gedaan voor uitstel van vertrek vanwege zijn gezondheidstoestand. Verweerder stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat deze incompleet was, met name omdat de huisarts, die als behandelaar was opgegeven, geen informatie had aangeleverd. Eiser betoogde dat de GGZ de daadwerkelijke behandelaar was en dat voldoende medische informatie was verstrekt.
De rechtbank oordeelt dat het aan eiser was om de aanvraag volledig te onderbouwen en dat verweerder voldoende gelegenheid heeft geboden om ontbrekende gegevens aan te vullen. Eiser heeft nagelaten de gevraagde informatie te verstrekken, waardoor de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld. Het verweer dat verweerder zelf uit de GGZ-stukken had moeten afleiden dat de huisarts geen behandelaar was, wordt verworpen.
Verder is de rechtbank van oordeel dat het horen van eiser in bezwaar niet noodzakelijk was, omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van connexiteit na de uitspraak op het beroep.
Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter C.E.S. Clerx en griffier R.S. Ouertani op 25 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de buiten behandelingstelling van de aanvraag om uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.