ECLI:NL:RBDHA:2024:15459

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 september 2024
Publicatiedatum
27 september 2024
Zaaknummer
NL23.33054
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:75a AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep asielaanvraag

Verzoekster diende op 6 juli 2022 een asielaanvraag in. Nadat Nederland op 19 februari 2023 verantwoordelijk werd voor de aanvraag, zou de beslistermijn van zes maanden op 19 augustus 2023 aflopen. De minister verlengde deze termijn rechtsgeldig met negen maanden vanwege een groot aantal aanvragen.

Verzoekster stelde op 18 oktober 2023 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De minister besloot op 4 maart 2024 de aanvraag alsnog in te willigen. Verzoekster trok daarop op 7 maart 2024 haar beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank wees dit verzoek op 3 juni 2024 af, waarna verzoekster verzet instelde. Dit verzet werd op 15 juli 2024 gegrond verklaard.

De rechtbank besloot de zaak zonder zitting af te doen omdat partijen geen zitting wensten. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen prematuur was ingediend vanwege de geldige verlenging van de beslistermijn. Hierdoor was het beroep niet-ontvankelijk en bestond geen grond voor proceskostenvergoeding.

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding definitief af en informeert verzoekster over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat het beroep niet ontvankelijk was wegens een geldige verlenging van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33054

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , verzoekster, V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. S. Kalu-Mollema)
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 18 oktober 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 6 juli 2022. Bij besluit van 4 maart 2024 heeft de minister de asielaanvraag ingewilligd.
Verzoekster heeft op 7 maart 2024 haar beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag ingetrokken en daarbij verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.
Op 3 juni 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen.
Verzoekster heeft tegen deze uitspraak op 15 juli 2024 verzet ingesteld. Bij uitspraak van
15 juli 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het verzet gegrond verklaard.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn, als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. Op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw vangt de termijn, bedoeld in het eerste lid, aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
5. Verzoekster heeft de aanvraag ingediend op 6 juli 2022. Op 18 februari 2023 is de uiterste overdrachtsdatum om verzoekster over te dragen aan Denemarken verstreken, waardoor Nederland op 19 februari 2023 verantwoordelijk is geworden voor de aanvraag van verzoekster. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in het geval van verzoekster op 19 augustus 2023 eindigen. De minister heeft echter, met inwerkingtreding van het WBV 2023/3, de beslistermijn van asielaanvragen, ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024, met negen maanden verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 11 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:5087) geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2023/3 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. De verlenging van de beslistermijn is daarom rechtsgeldig. Dat betekent dat de ingebrekestelling 19 september 2023 prematuur was ingediend, hetgeen zou hebben geleid tot een niet-ontvankelijk beroep.
6. Nu er geen sprake is van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoekster in de zin van artikel 8:75a van de Awb.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.