ECLI:NL:RBDHA:2024:15397
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens vertrek vreemdeling
Eiser diende op 2 februari 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag op 25 juli 2024 niet in behandeling, omdat België verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. De rechtbank onderzocht of eiser nog procesbelang had bij het beroep tegen dit besluit.
De minister meldde dat eiser op 7 augustus 2024 zelfstandig zijn woonruimte had verlaten met onbekende bestemming. De gemachtigde van eiser gaf op 23 augustus 2024 aan geen contact meer met eiser te hebben. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt aangenomen dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht.
De rechtbank concludeerde dat eiser geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Emaus en griffier V. Bouman op 19 september 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming en geen belang heeft bij de behandeling.