ECLI:NL:RBDHA:2024:15360
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursrechtelijke procedure
Eiseres verzocht de rechtbank om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De procedure betrof een bestuursrechtelijke zaak tegen het college van burgemeester en wethouders van Den Haag en de Staat der Nederlanden.
De rechtbank stelde vast dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar, waarbij de bezwaarprocedure maximaal zes maanden mag duren en de beroepsprocedure anderhalf jaar. De termijn begon op 31 december 2021, de datum waarop het bezwaarschrift werd ontvangen, en eindigde op 31 december 2023. De redelijke termijn was derhalve overschreden met negen maanden.
De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de overschrijding rechtvaardigden. Daarom werd de Staat veroordeeld tot betaling van € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding en € 437,50 aan proceskosten. Tijdens de zitting op 17 september 2024 werd een schikking bereikt waarbij eiseres haar beroep introk.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 1.000,- schadevergoeding en € 437,50 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.