ECLI:NL:RBDHA:2024:15195
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vertrek vreemdeling met onbekende bestemming
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag het beroep van een Iraanse vreemdeling beoordeeld tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De minister had de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag op grond van het Dublin-verdrag.
De vreemdeling is op of omstreeks 4 september 2024 met onbekende bestemming vertrokken zonder de minister te informeren over zijn verblijfplaats. Zijn gemachtigde gaf aan geen contact meer met hem te hebben. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland en daarom geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
De rechtbank concludeerde dat de vreemdeling geen procesbelang meer heeft en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter T.A. Oudenaarden en openbaar gemaakt op 24 september 2024.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen procesbelang meer heeft.