ECLI:NL:RBDHA:2024:14918
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, met de Tadzjiekse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser stelt dat het besluit onbevoegd is genomen en vreest refoulement, mede gelet op zijn medische situatie en het arrest C.K. Hij verzoekt om herhaling en inlassing van zijn eerdere argumenten.
De rechtbank oordeelt dat het gebrek in de ondertekening van het besluit kan worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, en er is geen bewijs van systeemfouten in Duitsland die een risico op schending van mensenrechten opleveren. De rechtbank vindt dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft waarom artikel 17 Dublinverordening Pro niet van toepassing is.
De medische gegevens tonen geen aanwijzingen dat overdracht aan Duitsland ernstige en onomkeerbare gevolgen voor de gezondheid van eiser zal hebben. Ook is geen sprake van onzorgvuldigheid of schending van het evenredigheidsbeginsel. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.