ECLI:NL:RBDHA:2024:14861
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring met zicht op uitzetting naar Algerije
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is sinds 1 juli 2024 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 13 september 2024 behandeld.
De rechtbank heeft overwogen dat de maatregel tot 12 juli 2024 reeds rechtmatig was vastgesteld en richt zich bij haar beoordeling op de periode daarna. Eiser stelt dat hij zich aan het toezicht wil houden en dat er geen risico is op onttrekking, terwijl hij ook aanvoert dat de bewaring hem zwaar valt en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend is. Tevens voert hij aan dat de geplande uitzetting op 21 oktober 2024 betekent dat hij nog lang in bewaring moet blijven.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, met meerdere rappelleringen, vertrekgesprekken en een geboekte vlucht. De identiteit en nationaliteit van eiser zijn bevestigd door Algerijnse autoriteiten. Er is zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, en eiser werkt niet mee aan zijn uitzetting. Daarom is het opleggen van een lichter middel niet gerechtvaardigd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.