ECLI:NL:RBDHA:2024:14717
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens betwisting vordering en onvoldoende bewijs
Verzoekster heeft een verzoek tot faillietverklaring van verweerster ingediend, stellende dat zij een vordering van €23.369,- heeft en dat verweerster meerdere schulden onbetaald laat. Verweerster erkent een deel van de vordering en heeft dit betaald, maar betwist het overige deel en stelt dat dit een aandeleninbreng betreft. De rechtbank oordeelt dat het vorderingsrecht niet summierlijk kan worden vastgesteld vanwege de betwisting over de waarde van de aandelen en de complexiteit van de geldstromen tussen aandeelhouders.
De rechtbank stelt vast dat voor het uitspreken van faillissement zowel het bestaan van een vordering als de toestand van hebben opgehouden te betalen summierlijk moeten blijken. Omdat het vorderingsrecht niet duidelijk is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de faillissementstoestand. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
De rechtbank wijst tevens het verzoek tot proceskostenveroordeling van verweerster af, maar veroordeelt verzoekster wel in de forfaitaire proceskosten vanwege het ongelijk. De uitspraak is gedaan door rechter D. de Loor en griffier C.R. Cortenbach-van der Lek op 17 september 2024.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen omdat het vorderingsrecht niet summierlijk kan worden vastgesteld.