ECLI:NL:RBDHA:2024:14690

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
17 september 2024
Zaaknummer
NL24.33953
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

De minister legde op 10 juni 2024 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en beoordeelt nu alleen de rechtmatigheid sinds het sluiten van het eerdere onderzoek op 19 juni 2024.

Eiser voerde aan dat de bewaring onevenredig is en dat er onvoldoende zicht is op uitzetting. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, gelet op de tijdige aanvraag van een laissez-passer bij de Algerijnse autoriteiten en meerdere rappels. Tevens is er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en rust op eiser de plicht actief mee te werken, wat volgens de vertrekgesprekken niet is gebeurd.

De rechtbank concludeert dat er geen concrete omstandigheden zijn die het voortduren van de bewaring onrechtmatig of onevenredig maken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33953

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] .

Procesverloop

De minister heeft op 10 juni 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 25 juni 2024. [2]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 5 september 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [3]

Overwegingen

1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 juni 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 19 juni 2024) rechtmatig is.
3. Eiser stelt dat het voortduren van de bewaring onevenredig is, er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld en er onvoldoende concreet zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn bestaat.
3.1.
De beroepsgronden slaagt niet. Uit het voortgangsrapport blijkt dat er een laissez-passer (lp) aanvraag is verstuurd naar de Algerijnse autoriteiten op 21 juni 2024. Op 10 juli 2024, 30 juli 2024 en 22 augustus 2024 is hierop gerappelleerd. Verder hebben op 21 juni 2024, 19 juli 2024 en 14 augustus 2024 vertrekgesprekken plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat de minister daarmee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt.
3.2.
De rechtbank overweegt verder dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. [4] Eiser heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat dit in zijn specifieke geval anders is. Op dit moment bestaan er geen indicaties die erop wijzen dat er voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Daar komt bij dat op eiser de plicht rust om actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Uit het dossier blijkt niet dat eiser dit doet. In de verslagen van de vertrekgesprekken van 19 juli 2024 en 14 augustus 2024 staat namelijk dat eiser niets heeft ondernomen om terug te keren naar Algerije.
3.3.
Tot slot zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is geworden en/of dat met een lichter middel moet worden volstaan. Ook de aanvullende ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van het voortduren van de maatregel leidt niet tot het oordeel dat de maatregel enig moment onrechtmatig is geweest.
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Rb. Den Haag (zp Middelburg), ECLI:NL:RBDHA:2024:9966.
3.Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
4.De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.