Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft een verzoek om naturalisatie ingediend en daarbij een Burundees paspoort overgelegd. De minister van Asiel en Migratie heeft het naturalisatieverzoek afgewezen vanwege twijfel over de echtheid van het paspoort en weigerde het paspoort aan de ambassade van Burundi te verstrekken voor een contra-expertise.
Verzoekster diende bezwaar in tegen deze weigering en verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening, waarbij zij vorderde dat het paspoort aan haar zou worden teruggegeven of dat het paspoort binnen drie dagen naar de ambassade van Burundi zou worden gestuurd. De voorzieningenrechter verklaarde het verzoek tot teruggave niet-ontvankelijk omdat dit niet samenhing met het bezwaar en wees het verzoek tot verzending af omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de weigering van de minister niet als een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, lid 3 van de Vreemdelingenwet kon worden aangemerkt, omdat er een adequate bestuurlijke rechtsgang openstond. Verzoekster kan de weigering immers betwisten binnen het bezwaar tegen het naturalisatiebesluit.
Hoewel het spoedeisend belang werd erkend vanwege de noodzaak van verzoekster om naar Burundi te reizen, vond de voorzieningenrechter geen juridische grond om het verzoek toe te wijzen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt deels niet-ontvankelijk verklaard en deels afgewezen.