Op 18 januari 2024 stichtte de verdachte brand in een GGZ-instelling te Leidschendam door een deken in brand te steken, waardoor levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners en personeel ontstond. De rechtbank achtte het bewezen dat de brandstichting gemeen gevaar voor goederen en personen opleverde.
Tijdens de terechtzitting op 31 juli 2024 werd de verdachte gehoord en bekende hij het feit. De verdediging voerde aan dat het levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet te duchten waren, maar de rechtbank verwierp dit op basis van forensisch onderzoek en omstandigheden in de instelling.
De psychiater stelde vast dat de verdachte schizofrenie en een matige cannabisstoornis heeft, wat het gedrag beïnvloedde, maar dat er nog enige wilsvrijheid was. Daarom werd verminderd toerekeningsvatbaarheid vastgesteld. De psychiater adviseerde een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en geen tbs-maatregel, wat de rechtbank volgde.
De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en toezicht. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard om het behandeltraject niet te belemmeren. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf gelast wegens niet-naleving van voorwaarden.
De rechtbank benadrukte het belang van behandeling in een forensische setting om het recidivegevaar te verminderen en achtte de straf passend gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.