ECLI:NL:RBDHA:2024:12402
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Litouwen
Verzoeker, van Litouwse nationaliteit, werd op 16 juli 2024 geïnformeerd over zijn voorgenomen uitzetting naar Litouwen op 8 augustus 2024. Hij maakte hiertegen bezwaar en verzocht op 7 augustus 2024 om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek zonder zitting vanwege spoedeisendheid.
Feiten tonen aan dat verzoeker sinds november 2021 in Nederland verbleef zonder rechtmatig verblijf. Hij werd meerdere malen veroordeeld voor diefstallen en zat gevangen. In juni 2023 werd hij ongewenst verklaard en opgedragen Nederland te verlaten. Verzoeker keerde in maart 2023 terug en stelde dat hij hier woonde en werkte, maar onderbouwde dit niet voldoende.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting beperkt is tot de wijze van uitvoering of nieuwe feiten die de rechtmatigheid aantasten. Verzoeker bracht geen nieuwe relevante feiten aan en onderbouwde zijn stellingen onvoldoende. Ook bleek geen risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro. Daarom had het bezwaar geen redelijke kans van slagen en werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Litouwen is afgewezen.