ECLI:NL:RBDHA:2024:12232

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 augustus 2024
Publicatiedatum
5 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.16960
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Artikel 8 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit en inreisverbod voor twee jaar ongegrond verklaard

De rechtbank Den Haag behandelde op 1 augustus 2024 het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar, uitgevaardigd door de minister van Asiel en Migratie op 21 maart 2024. Eiser was niet aanwezig bij de zitting, enkel de gemachtigde van verweerder verscheen.

Het terugkeerbesluit werd niet bestreden, waardoor de rechtbank aannam dat eiser terecht moet vertrekken uit de EU, EER en Zwitserland. Het geschil betrof het inreisverbod, waarvan eiser stelde dat dit onterecht was vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, zoals een Poolse vriendin in Duitsland en de wens zijn vader in Kroatië te bezoeken.

De rechtbank oordeelde dat eiser deze omstandigheden onvoldoende had onderbouwd en dat zijn pogingen om naar het Verenigd Koninkrijk te reizen hiermee in tegenspraak zijn. Evenmin werd aangetoond dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 EVRM Pro of dat er bijzondere omstandigheden zijn die het inreisverbod zouden moeten opheffen.

De rechtbank wees erop dat eiser in de toekomst een aanvraag kan indienen voor gezinsleven in een lidstaat, waarbij het inreisverbod eventueel kan worden opgeheven. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16960
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verschenen is de gemachtigde van verweerder.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit is een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Het terugkeerbesluit is niet bestreden. Daarom dient ervan uit te worden gegaan dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat eiser het grondgebied van de Europese Unie, de EER en Zwitserland onmiddellijk moet verlaten.
2. In geschil is of verweerder ten onrechte een inreisverbod tegen eiser heeft uitgevaardigd.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht een inreisverbod heeft uitgevaardigd. De door eiser aangevoerde omstandigheid dat hij een Poolse vriendin heeft in Duitsland, met wie hij heeft samengewoond, heeft eiser niet onderbouwd. Bovendien rijmt deze stelling niet met eisers pogingen om uit te reizen naar het Verenigd Koninkrijk. De wens van eiser om zijn vader te bezoeken in Kroatië, maakt evenmin dat een inreisverbod in strijd komt met artikel 8 van Pro het EVRM [1] of dat anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een inreisverbod achterwege dient te blijven. [2] Daarnaast is ook deze stelling is niet onderbouwd. Verweerder heeft daarom geen bijzondere omstandigheden aanwezig hoeven zien op grond van het inreisverbod achterwege moet blijven. Tot slot bestaat voor eiser de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag met het oog op het uitoefenen van het gezinsleven wanneer eiser in de toekomst (al dan niet langdurig) verblijf beoogt in een lidstaat. Indien hij daarvoor in aanmerking komt, kan het inreisverbod op verzoek, of ambtshalve worden opgeheven.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
2.Beoordeling op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.