ECLI:NL:RBDHA:2024:12006
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen niet tijdig besluit gezinshereniging, machtiging voorlopig verblijf toegekend
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De aanvraag werd ingediend op 25 november 2022, terwijl de minister uiterlijk op 25 mei 2023 had moeten beslissen. Omdat geen besluit werd genomen, stelde eiser de minister op 3 augustus 2023 rechtsgeldig in gebreke en diende vervolgens op 11 april 2024 het beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig en kennelijk gegrond is. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit. De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met de mogelijkheid tot verlenging naar twintig weken indien nader onderzoek schriftelijk wordt meegedeeld.
Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de minister een dwangsom van €100 per dag moet betalen bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. De reeds verbeurde dwangsommen van €1.442 worden vastgesteld en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter B.F.Th. de Roos en griffier E.C. Jacobs op 26 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met dwangsommen bij overschrijding.