ECLI:NL:RBDHA:2024:11837
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen intrekking verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 30 juni 2016 in te trekken. Dit bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn van vier weken was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Hoewel verweerder de motivering voor de niet-ontvankelijkverklaring niet volledig had gegeven en er sprake was van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel, oordeelde de rechtbank dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was. Eiser had geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de te late indiening konden rechtvaardigen.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat er geen sprake meer was van connexiteit met de bodemzaak. De rechtbank concludeerde dat het beroep kennelijk ongegrond was en dat het bestreden besluit in stand bleef. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.