De rechtbank Den Haag behandelde op 29 juli 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van een overval op een Karwei-winkel in Den Haag. De tenlastelegging betrof het voorbereiden van diefstal met geweld en/of afpersing in vereniging, waarbij verdachte samen met anderen PostNL-kleding en een auto zou hebben gebruikt om het pand te betreden.
Tijdens de terechtzitting op 15 juli 2024 werden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging uitgewisseld. De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van een aangever die stelde dat verdachte een overval had gepland en op de vondst van PostNL-kleding in de auto van verdachte. De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van de verklaringen en gaf een alternatieve verklaring voor de kleding.
De rechtbank achtte de verklaringen van de aangever betrouwbaar maar vond dat het bewijs onvoldoende was om het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren. De verklaring van verdachte over het bezit van de kleding werd bevestigd door onderzoek naar de sollicitatie bij een onderaannemer van PostNL. Tevens was de kleding onvoldoende voor een overval met twee personen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij.
De inbeslaggenomen PostNL-kleding werd aan de verdachte afgestaan en het telefoontoestel werd teruggegeven. De rechtbank concludeerde dat de verdachte niet strafbaar was voor het ten laste gelegde feit.