ECLI:NL:RBDHA:2024:11096
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende bewijs doel en omstandigheden verblijf
Eiser, woonachtig in Marokko, vroeg een visum kort verblijf aan om vakantie te vieren en een jeugdvriend en diens familie te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf niet aannemelijk had gemaakt en onvoldoende sociale en economische binding met Marokko had, waardoor twijfel bestond over tijdige terugkeer.
Eiser maakte bezwaar tegen de afwijzing en stelde de minister in gebreke wegens niet tijdig beslissen. Nadat de minister alsnog op bezwaar besloot en het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde eiser beroep in tegen deze beslissing en tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat de minister inmiddels had beslist.
De rechtbank oordeelde dat de minister het visum terecht kon weigeren op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat eiser onvoldoende bewijs had geleverd van het doel en de omstandigheden van het verblijf. De rechtbank vond de bewijslast niet onredelijk en stelde dat de minister ook terecht kon afzien van het horen van eiser in bezwaar, omdat geen nieuwe relevante informatie was aangeleverd.
De minister werd veroordeeld in de proceskosten voor het niet tijdig beslissen, vastgesteld op € 218,75. Het beroep tegen de afwijzing van het visum werd ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van het visum is ongegrond verklaard.