ECLI:NL:RBDHA:2024:11004
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde zich op het standpunt dat hij zich wel degelijk in Nederland had gemeld en dat de registratie in Eurodac onjuist was. Tevens voerde hij aan dat hij door Duitse autoriteiten hardhandig was behandeld en dat er sprake was van een familieband die een overdracht aan Duitsland zou moeten verhinderen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder mocht uitgaan van de juistheid van de Eurodac-registratie en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd om deze juistheid te betwisten. Ook was niet gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag in Nederland had ingediend. De stelling dat Duitsland tekortschiet in de opvang en behandeling van asielzoekers werd niet concreet onderbouwd, zodat het vertrouwensbeginsel tussen lidstaten van toepassing blijft.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser geen afhankelijkheidsrelatie met zijn broer had zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening, en dat de wens om dicht bij familie te zijn geen bijzondere omstandigheid vormt die overdracht aan Duitsland zou verhinderen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.